Hazenjagen
Wij joegen op fazanten, hazen, eenden en patrijzen.
Laat op een middag gingen wij het veld in.
Tot het schemer was lagen wij in een slootswal.
Een dag joegen wij ergens waar ik niet vandaan kwam.
Ik was drijver; naast mij vloog een eend uit het riet.
De beste schutter schoot met één zwaai van de loop.
Bij een zaten wij na; er was veel geschoten.
Ik kreeg een stuk roggebrood met gerookt spek.
De jagers rookten, een vrouw vulde romers.
In de schuur waren hazen met de achterpoaten aan een gebint gebonden.
Voordat ze gestroopt werden, hingen ze een tijdje met de kop omlaag.
De schutkleurvacht gaaf, bloed aan de snuit, een Leeuwarder Courant op het beton.
Hazenjagen
Gepubliceerd in Krakatau